Groep 8 verzamelde een hele serie gezegden.
  De appel valt niet ver van de boom = Een kind lijkt veel op zijn ouders.
Als de appel rijp is, valt hij, al is het in een moddersloot = Als het meisje er rijp voor is, geeft ze - hoe dan ook - toe aan de liefde.
Iedere appel smaakt bomig = Afkomst verloochent zich niet.
Wat de boer niet kent, eet hij niet = Sommige mensen eten iets niet, als ze het niet kennen.
Hoge bomen vangen veel wind = Iemand die een hoge functie heeft, heeft veel kritiek te verduren.
De buikriem aanspannen = Bezuinigen.
Knollen voor citroenen verkopen = Iemand bedriegen.
Ga op het dak zitten = Gezegde waarmee men een verzoek bot afwijst.
Hij zit hoog en droog = Hij is er veilig en heeft het naar zijn zin.
Het hek is van de dam = Er is geen toezicht meer, iedereen doet wat hij wil.
  Blaffende honden bijten niet = Hij heeft wel een grote mond en maakt veel kabaal, maar zo kwaad is hij nog niet.
Je moet geen slapende honden wakker maken = Mensen die het niet met je eens zijn moet je niet je plannen vertellen.
Als twee honden vechten om een been loopt de derde er mee heen = als twee mensen het niet eens kunnen worden heeft een derde er voordeel aan.
De hond in de pot vinden = Wie te laat komt, krijgt niets meer (te eten).
Ieder huisje heeft z’n kruisje = Ieder gezin heeft zijn eigen problemen en zorgen.
  Als het kalf verdronken is, dempt men de put = Wanneer men maatregelen neemt, als het ongeluk al gebeurd is.
De kat op het spek binden = Iemand de gelegenheid bieden om kwaad te doen.
De kat uit de boom kijken = Afwachten hoe de zaken zich zullen ontwikkelen om eventueel te handelen.
Een kat in een zak kopen = Iets kopen zonder het gezien te hebben.
Met de kippen op stok gaan = Vroeg gaan slapen.
Van een kale kip kun je niet plukken = Iemand die niet veel geld heeft kan zijn schulden niet betalen.
De koe bij de hoorns vatten = Een moeilijke zaak fors aanpakken.
Ze praten over koetjes en kalfjes = Over allerlei onbelangrijke zaken praten.
Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in = Wie een ander probeert te benadelen, wordt soms zelf het slachtoffer.
  Het hoogste lied zingen = Veel praatjes hebben.
Een gegeven paard moet men niet in de bek kijken = Op een geschenk moet je geen aanmerkingen maken.
Beter een blind paard dan een lege halster = Beter iets dan niets.
Het paard achter de wagen spannen = Een zaak totaal verkeerd aanpakken.
Kleine potjes hebben grote oren = Men moet vertrouwelijke dingen niet bespreken waar kinderen bij zijn, ze luisteren ook mee.
Na regen komt zonneschijn = Na slechte dagen komen weer betere tijden.
Hij heeft zijn schaapjes op het droge = Hij kan leven van zijn verdiende geld.
  Als één schaap over de dam is, volgen er meer = Als er maar eerst iemand is die iets geks doet dan doen anderen hem na.
Er gaan veel makke schapen in een hok = Je moet je tevreden stellen met een klein plaatsje. 
Hij is het zwarte schaap = Hij is de man die de schuld krijgt, die zich slecht gedragen heeft.
Het verloren schaap = Waar men lang naar heeft gezocht is weer terug.
Wie de schoen past, trekt hem zelf aan = Wie zich schuldig voelt, begrijpt dat de vermaning tot hem is gericht.
Gooi geen oude schoenen weg voor je nieuwe hebt = Je moet bijvoorbeeld je baan niet opzeggen, voordat je ander werk hebt.
Schreeuwen als een mager speenvarken = Heel hard gillen.
De beste stuurlui staan aan wal = Commentaar wordt geleverd door niet deskundigen.
 

 

 

Hoog van de toren blazen = Opscheppen, een groot woord hebben.
Zoals ouden zongen piepen de jongen = Kinderen doen hun ouders na.
Met andermans veren pronken = Zij maakt zich mooi met andermans kleren.
In troebel water is het goed vissen = Hij probeert voordeel te behalen uit andermans slechte omstandigheden.
De vissen op het droge leggen = Hij voelt zich er helemaal niet thuis.
Beter 1 vogel in de hand dan 10 in de lucht = Wat men heeft al is het klein, het is meer waard dan een schone belofte.
Ieder vogeltje zingt zoals hij gebekt is = Iedereen is zoals die is.Als de vos de passie preekt boer pas op je kippen = Een huichelaar is nooit te vertrouwen.Hij kan de zon niet in het water zien schijnen = Hij is jaloers.
  Water bij de wijn doen = Zijn eisen matigen, met minder tevreden zijn.
Zoals de wind waait, waait mijn jasje = Hij heeft geen eigen mening.
Achter de wolken schijnt de zon = Al heb je tegenslag, pech, toch kun je opgewekt blijven.
Een zwaluw maakt nog geen zomer = Als een ding goed en zonder tegenslagen verloopt, hoeft het andere niet net zo goed te verlopen.
Iemand zwart maken = Kwaad spreken achter iemands rug.