| Groep 8 verzamelde een hele serie gezegden. | ||
![]() |
De
appel valt niet ver van de boom = Een kind lijkt veel op
zijn ouders. Als de appel rijp is, valt hij, al is het in een moddersloot = Als het meisje er rijp voor is, geeft ze - hoe dan ook - toe aan de liefde. Iedere appel smaakt bomig = Afkomst verloochent zich niet. Wat de boer niet kent, eet hij niet = Sommige mensen eten iets niet, als ze het niet kennen. Hoge bomen vangen veel wind = Iemand die een hoge functie heeft, heeft veel kritiek te verduren. De buikriem aanspannen = Bezuinigen. Knollen voor citroenen verkopen = Iemand bedriegen. Ga op het dak zitten = Gezegde waarmee men een verzoek bot afwijst. Hij zit hoog en droog = Hij is er veilig en heeft het naar zijn zin. Het hek is van de dam = Er is geen toezicht meer, iedereen doet wat hij wil. |
![]() |
| Blaffende
honden bijten niet = Hij heeft wel een grote mond en
maakt veel kabaal, maar zo kwaad is hij nog niet. Je moet geen slapende honden wakker maken = Mensen die het niet met je eens zijn moet je niet je plannen vertellen. Als twee honden vechten om een been loopt de derde er mee heen = als twee mensen het niet eens kunnen worden heeft een derde er voordeel aan. De hond in de pot vinden = Wie te laat komt, krijgt niets meer (te eten). Ieder huisje heeft z’n kruisje = Ieder gezin heeft zijn eigen problemen en zorgen. |
![]() |
|
![]() |
Als
het kalf verdronken is, dempt men de put = Wanneer men
maatregelen neemt, als het ongeluk al gebeurd is. De kat op het spek binden = Iemand de gelegenheid bieden om kwaad te doen. De kat uit de boom kijken = Afwachten hoe de zaken zich zullen ontwikkelen om eventueel te handelen. Een kat in een zak kopen = Iets kopen zonder het gezien te hebben. Met de kippen op stok gaan = Vroeg gaan slapen. Van een kale kip kun je niet plukken = Iemand die niet veel geld heeft kan zijn schulden niet betalen. De koe bij de hoorns vatten = Een moeilijke zaak fors aanpakken. Ze praten over koetjes en kalfjes = Over allerlei onbelangrijke zaken praten. Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in = Wie een ander probeert te benadelen, wordt soms zelf het slachtoffer. |
|
| Het
hoogste lied zingen = Veel praatjes hebben. Een gegeven paard moet men niet in de bek kijken = Op een geschenk moet je geen aanmerkingen maken. Beter een blind paard dan een lege halster = Beter iets dan niets. Het paard achter de wagen spannen = Een zaak totaal verkeerd aanpakken. Kleine potjes hebben grote oren = Men moet vertrouwelijke dingen niet bespreken waar kinderen bij zijn, ze luisteren ook mee. Na regen komt zonneschijn = Na slechte dagen komen weer betere tijden. Hij heeft zijn schaapjes op het droge = Hij kan leven van zijn verdiende geld. |
![]() |
|
![]() |
Als
één schaap over de dam is, volgen er meer = Als er
maar eerst iemand is die iets geks doet dan doen anderen hem na. Er gaan veel makke schapen in een hok = Je moet je tevreden stellen met een klein plaatsje. Hij is het zwarte schaap = Hij is de man die de schuld krijgt, die zich slecht gedragen heeft. Het verloren schaap = Waar men lang naar heeft gezocht is weer terug. Wie de schoen past, trekt hem zelf aan = Wie zich schuldig voelt, begrijpt dat de vermaning tot hem is gericht. Gooi geen oude schoenen weg voor je nieuwe hebt = Je moet bijvoorbeeld je baan niet opzeggen, voordat je ander werk hebt. Schreeuwen als een mager speenvarken = Heel hard gillen. De beste stuurlui staan aan wal = Commentaar wordt geleverd door niet deskundigen. |
|
![]() |
Hoog
van de toren blazen = Opscheppen, een groot woord
hebben. Zoals ouden zongen piepen de jongen = Kinderen doen hun ouders na. Met andermans veren pronken = Zij maakt zich mooi met andermans kleren. In troebel water is het goed vissen = Hij probeert voordeel te behalen uit andermans slechte omstandigheden. De vissen op het droge leggen = Hij voelt zich er helemaal niet thuis. Beter 1 vogel in de hand dan 10 in de lucht = Wat men heeft al is het klein, het is meer waard dan een schone belofte. Ieder vogeltje zingt zoals hij gebekt is = Iedereen is zoals die is.Als de vos de passie preekt boer pas op je kippen = Een huichelaar is nooit te vertrouwen.Hij kan de zon niet in het water zien schijnen = Hij is jaloers. |
|
![]() |
Water
bij de wijn doen = Zijn eisen matigen, met minder tevreden zijn. Zoals de wind waait, waait mijn jasje = Hij heeft geen eigen mening. Achter de wolken schijnt de zon = Al heb je tegenslag, pech, toch kun je opgewekt blijven. Een zwaluw maakt nog geen zomer = Als een ding goed en zonder tegenslagen verloopt, hoeft het andere niet net zo goed te verlopen. Iemand zwart maken = Kwaad spreken achter iemands rug. |
![]() |
|
|
|
|
|
|
|
|
|